KLARE TAAL

KLARE TAAL Erik van den Berg, Roy Mantel en Pieter van Adrichem, 1994

Thé Lau (1994) / Foto: Paul TolenaarVoor The Scene uit Amsterdam komt het succes pas in een zeer laat stadium. Als de in het Noordhollandse Bergen opgegroeide zanger/gitarist/tekstschrijver Thé Lau (1952) zijn groep eind jaren zeventig opricht, heeft hij al een forse muzikale carrière achter de rug in formaties als Tortilla, Turquoise, Music Garden en Neerlands Hoop Express. Met The Scene richt hij zich aanvankelijk op Engelstalige en door punk geïnspireerde pop. De carrière van de groep komt moeizaam van de grond; niet zo verwonderlijk, aangezien de groep jarenlang vrijwel maandelijks van bezetting wisselt (met Thé Lau als enige constante) en men dus vooral tijd kwijt is met het inspelen van jonge rekruten. In de tweede helft van de jaren tachtig schakelt The Scene, na enige tijd tweetalig in de weer te zijn geweest, over op Nederlandstalig repertoire en - eindelijk - een stabiele bezetting: Thé Lau, gitarist Eus van Someren, toetsenman Otto Cooymans, bassiste Emilie Blom van Assendelft en drummer Jeroen Booy.

In deze bezetting, en met succesvolle albums als 'Blauw' en 'Open', breekt The Scene in achtereenvolgens België en Nederland door en kan men het ene na het andere hoogtepunt in de annalen bijschrijven: een geslaagd optreden op het Torhout/Werchter-festival in België in '91, een afvaardiging naar het prestigieuze New Music Seminar in New York in datzelfde jaar, een glorieus optreden op Parkpop in Den Haag in '92 en de ontvangst van de jaarlijkse Popprijs op het Groningse Noorderslag-festival in januari '93. Bij deze laatste gelegenheid wordt The Scene door de jury geprezen om haar 'poëtische teksten die zijn ingebed in karakteristieke, sobere arrangementen'. Najaar '93 brengt de groep de CD 'Avenue De La Scene' uit, haar derde succesvolle Nederlandstalige album op rij.

Volgens Thé Lau is de omschakeling naar Nederlandstalig repertoire nooit een principe-beslissing geweest. "We hebben op een zeker moment gewoon de laatste drie Engelstalige liedjes eruit gegooid. Daarnaast had ik de indruk gekregen dat ik beter uit de voeten kon met het Nederlands dan met het Engels; mijn Engelse teksten waren altijd heel gezocht. En overdreven verzorgd. Alles was er fout aan, eigenlijk. Iedereen vraagt zich altijd af waarom Nederlandse bands in hun eigen taal zingen, maar je zou je beter kunnen afvragen waarom er zoveel in het Engels zingen. Engelstalige bands laten de helft van het verhaal liggen; niemand luistert naar je teksten. In Frankrijk denkt geen hond eraan om in het Engels te zingen. In Duitsland wel, maar ik vermoed dat de top daar toch uit Duitstalige acts bestaat."

"Ik kan me veel beter uitdrukken in het Nederlands. Vroeger was ik blij als ik weer eens een Engelse tekst af had en eindelijk kon gaan zingen. Van een gemiddelde Nederlandse tekst, met zo'n drie coupletten, heb ik vaak wel achttien versies, met allerlei verschuivingen en wijzigingen". Thé Lau beaamt dat groepen die in het Nederlands zingen vrijwel altijd - ongeacht de muzieksoort - in één en hetzelfde hokje worden ondergebracht: Nederlandstalige pop. "Maar dat klopt fundamenteel niet. Daar wordt een, weliswaar begrijpelijke, denkfout gemaakt. Een groep als Doe Maar was serieus en eenduidig met haar muziek bezig, daarbij kon je je voorstellen dat er zelfs belangstelling voor uit het buitenland was. Maar bij een heleboel andere groepjes, die destijds óók met het grootste gemak scoorden, was dat duidelijk niet zo. Toontje Lager was een schoolvoorbeeld van een groep die geen muzikale identiteit had. Het Goede Doel idem dito. Vervang hun Nederlandse teksten door Engelse je hebt een soort gezichtsloze mainstream-rock."

"Pas met de komst van de Tröckener Kecks, De Dijk en ons is dat veranderd. Wij stonden en staan nog steeds serieus stil bij de vraag aan welke wetten en eisen een goede rockplaat moet voldoen. Dat er in het Nederlands gezongen wordt, is dan in feite bijzaak. Als je - zoals wij - op Torhout/Werchter staat, tussen alle Engelstalige grootheden met hun duizendkoppige fanclubs, dan blijf je toch echt alléén maar overeind op grond van je muziek en helpt het niets dat je in het Nederlands zingt." Bij het schrijven van zijn teksten beschouwt Thé Lau zijn toehoorders altijd als gelijkwaardig. "Maar ik kan een tekst niet gemakkelijker maken dan ik vind dat hij moet zijn. Ik las onlangs ergens dat Gerard Cox en Robert Long hun publiek beschouwen als een soort klont. Ik begreep ineens waarom zij tweederangs artiesten zijn. Want zoiets mag je nóóit denken van je publiek. Maar goed, dat kunnen ze zich in het cabaret waarschijnlijk allemaal permitteren."

"Publiek leeft. Rock & roll-publiek zéker. Discotheek-publiek niet; we hebben een tijdje uit financiële overwegingen in discotheken gespeeld, maar zodra we konden hebben we daar een punt achter gezet. Discopubliek is zo dood als een pier. In een gewone zaal zie je dat mensen je teksten meezingen en zich er een eigen, persoonlijke voorstelling bij maken. Dat geeft een goed gevoel. Een tekst moet lagen, niveaus hebben. Een deel moet aan de oppervlakte liggen en duidelijk zichtbaar zijn, maar er moet ook een onderstroom zijn van iets wat je wel voelt, maar niet noodzakelijkerwijs ook begrijpt. Er wordt mij wel eens verweten dat ik onbegrijpelijke teksten schrijf, maar als ik dan zie dat 400 mensen alles woord voor woord meezingen, denk ik: die hebben het in elk geval wél door. Want anders zouden ze ook niet de moeite hebben genomen om alles uit hun hoofd te leren, of het zó vaak te draaien. Dat kun je trouwens leuk testen door bij een optreden bijvoorbeeld een zin van het derde naar het tweede couplet te verplaatsen. Dan zie je meteen die blikken: is-ie nou iets vergeten of…? Als ik in het Engels zou zingen, zou ik dat allemaal missen. Want dan trek je een soort scherm op; je weet immers dat het zowel voor jou als je publiek de tweede taal is. Helaas kloppen veel Nederlandse zangers zich nog altijd op de borst in de veronderstelling dat ze Engelse taal wérkelijk beheersen. Een grote, landelijke denkfout dus."

Thé Lau hecht evenveel waarde aan muziek als aan teksten. Maar zal een publiek uiteindelijk tòch niet in de eerste plaats de tekst oppikken? "Moeilijke vraag. Maar ik denk dat als wij er als muzikanten met de pet naar zouden gooien, veel mensen zouden weglopen. Als de muzikale power uit de band wegsijpelt, is het waarschijnlijk snel afgelopen met ons. Hoewel we met middle-of-the-road-muziek wél meer platen zouden verkopen, daar ben ik heilig van overtuigd. Dat is al een wet sinds Elvis. Tegen hem hebben ze ook gezegd: ga voor de schoonmoeders zingen en je wordt rijk." Een veelgehoorde stelling is dat Thé Lau als geen ander de kunst verstaat om met weinig woorden veel te zeggen. 'En dat terwijl het grootste bezwaar tegen Nederlandstalige muziek doorgaans is dat er te weinig wordt gezegd met te veel woorden. Zeker bij de cabaret-achtige dingen. Daar is altijd eerst een tekst en dan pas de muziek. Bij rock & roll vraagt de muziek om een onderwerp: er zit iets in, er is al iets, en met de tekst moet je dat dan uitdragen. Met teksten en muziek werken wij altijd volgens een eliminatieproces: het begint met heel veel en het wordt steeds minder. Want in de beperking toont zich nog steeds de meester."

Gek genoeg bleek juist de Amerikaanse muziek voor Thé Lau één van de eye-openers op dat gebied. "Toen ik net met Nederlandse teksten werkte, vond ik dat het teveel klonk alsof de tekst op de muziek geplakt was. Ik ben toen te rade gegaan bij de Amerikaanse muziek: dingen letterlijk overnemen, vertalen en als uitgangspunt nemen voor de rest van de tekst. Dat bleek een goede methode, ik ontdekte dat de zinnen zo veel korter werden. Dus ik vond dat de zinnen die ik zélf verzon ook kort moesten zijn. Dat heeft er op een zeker moment toe geleid dat toen ik aan een Amerikaan eens wat liedjes van mezelf liet horen, hij pas halverwege het tweede nummer doorhad dat de tekst niet in het Engels was! De zanglijnen bleken, qua lengte en melodie, niet te onderscheiden van hoe Amerikanen dat doen. Begrijp me goed: dat pikken van Amerikaanse dingen doe ik nu natuurlijk niet meer, maar acht keer achter elkaar 'kom op' zingen, dat was letterlijk afgekeken van James Brown. Zulke dingen hebben bij mij hele gedachtengangen in werking gezet. Ik dacht: is dit nog wel geloofwaardig? Ik bedoel, iedereen mag horen dat het van Brown gepikt is, maar is het nog wel wat? Wordt het niet lullig of flauw? Vervolgens ga je dus denken: wat heeft Brown ooit bewogen om dat zo te zingen? Ik ben daardoor écht een stapje verder geraakt, hoor…"

"Ik heb een tijdje in een bluesband gespeeld en moest toen een keer 'I Just Wanna Make Love To You' van Muddy Waters zingen. Dan ga je dus letten op wat je eigenlijk aan het zingen bent. Na zes keer had ik pas door met wat voor een inzet je dat moest zingen om het een beetje geloofwaardig te laten klinken. Dat soort dingen blijft voor Nederlanders die in het Engels zingen altijd iets kroms. De groep die mij op dat gebied het meest overtuigde, was The Fatal Flowers. Omdat die zanger zich, woord voor woord, bewust was van wat hij zong. Neem een Anita Meijer, die vóelt geen woord… Die hoort niet wat ze zingt. Althans, dat gevoel heb ik altijd. Daarom krijgt ze altijd de kritiek dat ze goed zingt, maar dat het toch een beetje kil is. Ze begrijpt het gewoon niet. Bij iemand als Frank Sinatra kwamen de melodieën puur voort uit iets wat hij uit de tekst haalde."

Maar hoe ziet Thé Lau kans om avond aan avond het juiste gevoel in zijn teksten te leggen? Hoe voorkom je die kilheid van Anita Meijer als de routine toeslaat? "Och, de meeste nummers hou ik behoorlijk lang vol… Maar als die slapte er dan toch inkruipt, schrappen we die songs gewoon van de setlist. En nummers als 'Rigoreus' en 'Iedereen Is Van De Wereld 'zullen altijd hun kracht blijven behouden. Niet in het minst vanwege de reacties van het publiek. Een liedje als 'Thuis', dat leek aanvankelijk heel wat. Maar toen we het vijf keer live hadden gespeeld, hebben we het weer geschrapt. Een autolied, dat kun je hier bijvoorbeeld ook wel vergeten. Een autolied van een Amerikaan die nog 300 mijl voor de boeg heeft, is toch iets anders dan een autolied van een Nederlander die in anderhalf uur van Groningen naar Amsterdam rijdt."

Opvallend aspect aan de teksten van The Scene is dat iets als maatschappijkritiek goeddeels ontbreekt. Maar volgens Thé Lau is dat vooral omdat geëngageerde songs doorgaans niet de beste songs opleveren. "Bovendien ben ik niet zo maatschappelijk betrokken. Bij mensen die zich vreselijk druk maken over dingen die zich 4.000 kilometer verderop afspelen, vraag ik me altijd af of ze zich wel voldoende druk maken over de dingen die zich in hun eigen huishouden, op hun eigen drempel afspelen. Ik vind niet dat er in Nederland dingen gebeuren die rechtvaardigen dat je zegt: dàn maar een wat mindere song, maar we móeten op de barricades gaan staan! Behalve dan het rassenprobleem, misschien. En 'Iedereen Is Van De Wereld' gaat daar in principe over. In feite is dat het enige sociaal-maatschappelijke probleem waarover ik ooit nadenk. Nieuwe ontwikkelingen in de WAO-wetgeving léés ik niet eens en de oorlog in ex-Joegoslavië is voor mij een volstrekt onbegrijpelijk iets. Ik weet te weinig van de horror en ellende die je in zo'n situatie meemaakt om er een song over te schrijven. Lennon's New York-plaat, met allemaal songs over de plaatselijke politiek, vond ik ook z'n slechtste. Je hoorde meteen een zekere nonchalance doorklinken in de begeleidende muziek."

Thé Lau beaamt dat grootheden als tijd en plaats in zijn teksten doorgaans zoek zijn. "Hoe helderder een tekst is en hoe minder moeite iemand hoeft te doen om iets te snappen, hoe minder spannend het hele verhaal wordt. Een spannend geklede vrouw is toch ook leuker om naar te kijken dan een naakte vrouw? En een mooi gefilmde vrijscène is toch opwindender dan een keiharde pornofilm? Hoe meer je alles verduidelijkt, hoe minder ruimte je aan de luisteraar laat." Toch geeft hij toe dat je, vanwege die Nederlandse taal, meer prijsgeeft dan in het Engels het geval zou zijn. "In dat opzicht is het dus weer moeilijker om een Nederlandse tekst te schrijven dan een Engelse: je creëert veel meer openheid. In het Engels heb je niet dat probleem van: is het oprecht? En is het nog wel geloofwaardig?"

"En het kan natuurlijk alleen maar geloofwaardig zijn als het oprecht is. Iemand als Arno Hintjens is bijna ten onder gegaan aan zijn streven om voor de volle 100 procent oprecht te zijn. Bij mij is het geen 100 procent; dat kan ook haast niet. Al ga ik wél voor het uiterste. Bij veel beginnende jonge bands, die meestal niet zo veel te vertellen hebben, zie je dus die enorme macho-bagger om maar een soort street-credibility op te bouwen. Dat wordt bijna potsierlijk. Dan zie je dus zo'n jong gastje dat in z'n leren jekkie staat te zingen dat-ie iemand een Magnum-kogel door de kop heeft gejaagd; inclusief alle details. Zoiets zul je mij nooit horen zingen; dan wordt ik uitgelachen. Ik heb wel eens overwogen om een pornosong te schrijven, maar dat idee heb ik maar losgelaten. Kijk, als je 18 of 19 bent kun je, zeg maar, je teksten van de muren van de clubhuizen schrapen. Ook ik heb jarenlang in kroegjes staan spelen; en dan maar proberen om de leren-jekkies-brigade ervan te overtuigen dat je cool bent. Daar zijn volgens mij veel jonge bands aan ten onder gegaan. Als je 23 bent is dat nog wel geloofwaardig, maar als je de 30 gepasseerd bent, moet je je toch wel wat dingen gaan afvragen. Macho-gedoe is alleen maar leuk als het ook grappig is, zoals bij AC/DC. Vroeger richtte ik me voornamelijk tot de jongens in het publiek; nu meer tot de meisjes. Het schijnt dat meisjes intuïtiever luisteren. Als meisjes beginnen te klappen, doen de jongens vanzelf mee. Jongens zul je nooit overtuigen. Althans, ik niet."

Als we Nederland even met België vergelijken, dan zien we dat bij onze zuiderburen de Vlaamstalige traditie veel belangrijker is dan de Nederlandse hier. Groepen als Noordkaap, Gorki en De Mens worden er bijvoorbeeld veel hoger aangeslagen dan De Dijk, The Scene en de Kecks in Nederland. Volgens Thé Lau heeft dat voornamelijk met de in België gevoerde taalstrijd te maken. "Het geldt daar als een pré als je in het Vlaams zingt. Wij hebben er veel moeite voor moeten doen om hier een beetje erkenning te krijgen, maar in België kostte dat nauwelijks moeite. De enige reden waarom een Belgische band in het Engels gaat zingen, is dat ze dan naar het buitenland kunnen. Tegen ons is ooit gezegd: jullie moeten je liedjes ook in het Duits vertalen. Nou, over mijn lijk. Dat koopt geen hond. Ik heb nog gevraagd wanneer er voor het laatst een Duitstalige single van een Nederlandse artiest daar is uitgebracht. Dat bleek ergens in 1956 te zijn geweest: Mieke Telkamp. Bovendien beheers ik het Duits niet goed genoeg, word ik meteen onterfd door mijn vader en kan ik het onze fans absoluut niet kwalijk nemen als ze met z'n allen weglopen. Ze lachen zich hier rot. Dus dat is simpel: no way. Ik denk dat onze fans - én die van De Dijk en de Kecks - zich er ook wel bewust van zijn dat we, reëel gesproken, een zekere afbakening hebben. We hoeven geen gigantische omzetten en wereldwijd succes. Zoiets wordt wel gewaardeerd, denk ik. Want het omgekeerde gebeurt ook: bands die net beginnen - meestal van die samengestelde bands met hele goede, ervaren muzikanten - en die van het begin af aan overduidelijk alleen maar op het buitenland gericht zijn. Het aardige is dat dat telkens weer opnieuw geprobeerd wordt, maar dat dat bij mijn weten nog nooit gelukt is."

Over nieuwe bands gesproken: op Nederlandstalige gebied is er al jarenlang opvallend weinig jonge aanwas. Na de grote drie (Scene, Kecks, Dijk) gaapt een levensgroot gat. En ook een succesvolle formatie als De Jazzpolitie blijkt uit doorgewinterde musici te bestaan. "Tja, het is inderdaad raar. Er zou toch eigenlijk een grote club achter moeten zitten? Maar het wordt volgens mij wél geprobeerd; er staan regelmatig jonge Nederlandstalige bands in ons voorprogramma. Maar daar hoor je dan meestal niets meer van. Misschien worden ze wel te snel - en onterecht - vergeleken met de gevestigde namen op Nederlandstalig rockgebied. Daar kunnen ze duidelijk nog niet mee wedijveren en als ze dat doorhebben, leggen ze het bijltje erbij neer. Wellicht dat het daar door komt." Welke ijkpunten had Thé Lau zelf, toen hij begon? Waren er Nederlandstalige artiesten van wie hij dacht: zó moet het? "Nee, geen Nederlandstalige. Mijn ijkpunten liggen meer bij Jacques Brel, Neil Young, U2 en John Lennon. Het gaat mij erom dat er een gevoel verwoord wordt; in om 't even welke taal. Het Sturm Und Drang-idee. Al is dat voor een Nederlander natuurlijk Spielerei: dat is niet serieus, hè. Al denk ik zelf ook dat de werkelijk getormenteerde figuren dermate getormenteerd zijn dat ze niet eens een podium op durven om iets creatiefs te doen. Ikzelf ben niet zo getormenteerd, denk ik. Gefrustreerd ook niet. Vroeger wel, nu niet meer. Ach, ik word gewoon nog steeds geraakt door dingen, dat is de basis van mijn werk. Al wordt iedereen natuurlijk op z'n tijd geraakt door dingen… Maar niet allemaal op dezelfde manier."

Het boek 'Klare Taal' bevat naast dit artikel nog dertien interviews met andere kopstukken uit de Nederpop. Het is in 1994 verschenen bij Uitgeverij 'Passage', ISBN-nummer 90-5452-009-4. «


[Media]