MOMPELEN IS MIJN DING

NIEUWE REVU Joost Niemöller, april 1996

Thé Lau en zijn vrouw Marijke (1994) / Foto: Paul TolenaarThé Lau is met zijn Scene inmiddels een jaar of zestien, zeventien bezig. Aanvankelijk met zeer wisselende samenstellingen, maar vanaf '90 is de bezetting ongewijzigd. En zeer succesvol. Zo waren er optredens op Torhout/Werchter en Parkpop, gouden platen, Edisons en de Popprijs. En onlangs verscheen een intrigerende nieuwe CD, 'Arena'. Een tweegesprek met zanger Thé Lau. Eerst over nu en dan al snel over punk en chauvinisme en vrouwen die de dertig zijn gepasseerd.

Mooie plaat.
"Ja, vind ik ook."

Ook anders.
"Ja, dat moest. De laatste plaat, een live-CD, zag ik als een afsluiting, maar ik was de enige in de band die dat zo zag. We waren gewend om nummers vanuit jamsessies te maken en zoveel mogelijk live op te nemen. Daar moest het mes in. We maakten altijd rockplaten en dit is een popplaat, vind ik. Ik heb eens naar de platencarrière van The Beatles gekeken en toen realiseerde ik me dat die maar zeven jaar besloeg. Toen begon onze ontwikkeling er een beetje traag uit te zien. Het idee kwam om de plaat te maken zoals speelfilms gemaakt worden, met plakband en schaar. Het liedje 'Moderne Mens' bijvoorbeeld. Dat waren twee liedjes in eerste instantie. En 'Otto's Imperium', dat is helemaal in elkaar geschoven. Dat was echt een geluidscollage. Niemand wist van de ander wat die gedaan had. Het was aanvankelijk ook helemaal niet de bedoeling dat het op de plaat zou komen. Ik hield er rekening mee dat er enorm negatieve reacties op zouden komen. Die zijn er ook wel geweest. Journalisten die het niks vinden. Twee of drie keer gebeurd. Dat men gewend was aan het geluid van The Scene en niet wilde aanvaarden dat we ook anders kunnen klinken. 'Otto's Imperium' gaat over mijn poes Otto. Dat wil zeggen: dat wás mijn poes, want ik heb hem een maand na de opname moeten begraven. Dat nummer is begonnen op een vakantie. Dan zit ik me 's avonds vaak te vervelen als iedereen naar bed is. Ik had van Rick de Leeuw van de Tröckener Kecks een boek gekregen met gedichten van Pesoa en als vingeroefening wilde ik zelf ook zo'n lang gedicht schrijven. Dat ging gewoon niet. Ik kan echt niet schrijven. Maar ik wilde het wel afmaken. Toen dacht ik: als ik maar wat muziek heb, dan lukt het misschien wel. Na die vakantie kwam Otto Cooymans, onze pianist, met wat muziek die hij in één keer op cassette had gezet."

Was de poes naar de pianist genoemd?
"Nee, het is toevallig dat die net zo heet als die poes. Die poes heette al zo toen hij uit het asiel kwam. Ze hadden hem gevonden in de Otto Helderingstraat, vandaar. Die moet ergens in Amsterdam West zijn. Dat komt ook in de tekst voor. Gek genoeg heb ik dat niet nagezocht, bedenk ik nu. Met de muziek erbij van Otto de pianist had ik inderdaad zo die tekst af."

Ik zie het verband niet met Pesoa.
"Ik wilde ook zo'n gedicht schrijven. Met een open structuur en wel met rijm, maar niet met een metrum. En waar zullen we het over doen? Nou, over de kat."

Die kat was er toen niet bij, want je was zelf op vakantie.
"Kwam ook mooi uit. Ik heb hem het resultaat wel laten horen. Hij is in slaap gevallen. Op m'n buik."

Het heeft een hele mooie sfeer. Iets groezeligs. Die kat met dat schuurtje, dat die daar loopt te darren. Iets onderwereld-achtigs.
"Een eigen wereld. Het was een uitdagend project. Ik ben mijn leven opgegroeid met katten, maar toen ik dat ging schrijven, merkte ik dat ik helemaal niet zoveel van katten wist. Alleen maar circumstantial evidence. Ik dacht nog: misschien moet ik Midas Dekkers bellen voor meer feitelijke informatie. Heb ik niet gedaan."

Je noemt die kat een rode indiaan.
"Zoals nu, in de lente, als hij nu nog zou leven, zou ik elke dag een muis op mijn bed vinden of op mijn hoofdkussen. Of een vogel. De meest kwetsbare en domme vogel, de merel, bracht hij bij bosjes binnen. Het zijn geschenken, hè. Als je die in de vuilnisbak gooit, zijn ze een dag beledigd. Hij wil dat je ze opeet. Hij wil niet dat hij afhankelijk is van jou qua voedsel. Er is een boekje verschenen waarin staat dat de kat een mens ziet als een minder soort poes. Hij oogt plomp, is wel enorm groot, maar kan eigenlijk niks. Niet mooi springen bijvoorbeeld. Poezen willen niet zien dat ze van mensen afhankelijk zijn. Ik heb het idee dat één helft van hun persoonlijkheid het wel aanvaardt. Heel menselijk."

Zag je Otto als een held?
"Ja, De keer dat ik zag hoe hij in anderhalve seconde een boom van vier meter tot in de top beklom. Dan is het net alsof ik naar Andre Agassi zit te kijken die een service van 220 kilometer op gras retourneert. Ik ben altijd erg gevoelig voor buitenissige prestaties. Dat met die merels, dat vond ik een minder punt. Dat waren gewoon baby's die uit het nest vielen en er voor het oprapen lagen. Maar een muis die van het ene gaatje over anderhalve meter sprint naar het andere gaatje en die van drie meter pakken, dat vind ik wel wat."

Leef je op het platteland of zo?
"Nee, in Amsterdam. Maar onze tuin is vrij landelijk."

Op 'Moderne Mens' zing je: de laatste baby is geboren.
"Ik werd vader en besloot toen: ik wil hierna niet nog weer een baby. Dus dat was de laatste baby. En tegelijkertijd las ik in de Volkskrant heel achteloos over de moderne mens werd geschreven. Toen dacht ik: er bestaan helemaal geen moderne mensen. En toen dacht ik aan de laatste baby. Nou, die wordt dan misschien de moderne mens. Het is voor mij ook een bizarre tekst. Ik moet de hele tijd aan die film van Fritz Lang denken. 'Metropolis'. Voor het nummer 'Bruid' ben ik mensen gaan bellen met de vraag: waar ben je bang voor?"

Voor de dood.
"Nee, dat zegt dus niemand. Dus daarom kon ik ook schrijven: wij zijn meer bang voor de liefde dan we bang zijn voor de dood. En de zin die op mezelf betrekking heeft is: wees niet bang dat gevangen in het licht je ware aard niet mooi zal lijken als een transparant gezicht. Ik begin namelijk te merken dat ik in interviews niet zomaar over de plaat kan praten want er wordt nu ineens op mij gelet. Veel journalisten willen plotseling weten wie ik ben. Dus ik moet dan ook gaan nadenken over wat ik daarover kwijt wil. Vroeger ging het alleen maar over de plaat en de band en dat soort dingen. Makkelijk te beantwoorden vragen. Journalisten van allerlei pluimage beginnen ineens over mijn seksleven. Mensen stellen zich geloof ik ook nog steeds voor dat er orgieën in de kleedkamer van Emmeloord zijn. In dat soort typecasting ben ik niet zo te vangen. Komt ook door mijn leeftijd. Mijn bestaan is niet gefundeerd op een outfit en een kapsel."

Toch ook weer wel. Toen ik je op straat zag lopen wist ik gelijk al van grote afstand dat jij het was. Je cowboy-overhemd, zal ik maar zeggen. Uitgesproken rock 'n roll.
"Ja, maar een aantal belangrijke elementen van de rock 'n roll heb ik niet. Het machismo. Voor zover ik groupies heb, zijn het de wat meer geïnteresseerde oudere dames, minimaal dertig. Het idee van de rock 'n roll levensstijl vind ik volslagen onzin. Op twee uitzonderingen na, maar die ontstijgen het idee min of meer. De grootste vind ik Keith Richard. Wat je in de jaren zestig een zeer highe persoon zou noemen. En in Nederland Herman Brood. Ik heb een enkele keer een gesprek met Brood gevoerd en er wordt door hem nooit een opmerking gemaakt die je verwacht. Ik heb ooit nog eens een poging gewaagd om een plaat met hem te produceren. Ik wilde met hem iets doen met het expliciete en de frisheid van 'Shpritsz', wat ik nog steeds zie als zijn werkelijke debuut. Ik zag hem ook als potentieel probleem in de studio, dus ik koos voor de botte benadering. Van: als ik dat doe dan gebeurt dat zo, punt. Toen haakte hij af. Terecht misschien."

Heb je ontzag voor hem?
"Ontzag is niet mijn grote ding in het leven. Vanaf het moment dat ik in Amsterdam arriveerde, vond ik alles niks hier. Dat heb ik altijd lopen etaleren. Wat me niet in dank werd afgenomen. Misschien is dat één van de redenen geweest dat het voor mij zo lang duurde. In Amsterdam werd Bergen gezien als een boerendorp en ik als een boerenlul die z'n bek moest houden. Toen ik hier binnenkwam, in '74, had je al die veelgeroemde gitaristen: Jan de Hont, Jan Akkerman, Ferdy Karmelk. En ik had er geen spat respect voor. Ze klonken mij allemaal provinciaal in de oren."

Dat was een vage tijd in de popmuziek.
"Nou, vooral de tijd vlak voor de punk. Toen luisterde iedereen naar Steely Dan en Little Feat. Saaie muzikantenmuziek."

Wel heel goed gedaan.
"Goed gespeeld, goed opgenomen, slechte liedjes, geen onderwerp, geen drijfkracht. Waardeloos. Toen ben ik ook bijna gestopt. En toen kwam de punk. In Nederland kreeg je toen The Tapes en The Nits. En The Scene. Ik bedenk nu opeens: we zijn in de eregalerie van de Nederlandse popmuziek van de Nieuwe Revu opgenomen hè. Nu realiseer ik me dat The Nits daar niet inzitten. Dat is wel een vergissing van de jury, dan."

Hoe paste volgens jou The Scene in het muzikale plaatje van pal na de punk?
"Ik hoorde er helemaal niet bij en was continu jaloers en gefrustreerd. Ik wilde bij die beweging horen. Ik ging elke avond naar Paradiso, waar je die punkbands zag, maar ook The Police en The Jam."

Hoe oud was je toen zelf?
"Dat was '79, toen was ik tegen de dertig. Toen oud. Ik speelde eerst nog in een band die een soort bluesrock speelde. Eric Clapton, Allman Brothers, dat waren zo de namen waarover gepraat werd in die groep. Dat was The Music Garden. Daarna begon met The Scene een lijdensweg omdat ik wel zag wat het ongeveer moest zijn, maar zelf had ik het talent ook niet helemaal. De mensen in The Scene van toen hadden niks met elkaar. Het was heel frustrerend want ik was de jongste, maar wel degene die de lakens uit wilde delen. Ik was toen nog zo naïef om te denken dat ik de bassist er van kon overtuigen dat Rod Stewart kut was."

Oh? Zat het op dat niveau?
"Ja. Van de oorspronkelijke bezetting van The Scene ben alleen ik over. Het was natuurlijk niet goed om het bij de oude kennissenkring te zoeken. Het bracht toen ook niks teweeg. Ik bedoel maar: jij en ik kennen elkaar al uit die tijd en toen werkte jij bij Vinyl en toen was The Scene bij Vinyl gewoon een verkeerde band.

Volgens mij was jij gewoon niet zo goed te plaatsen.
"Het feit dat mensen nu plotseling denken dat ik wel te plaatsen ben, komt alleen maar door het succes. Maar ik zal nooit de plek opzoeken waar ik te plaatsen ben. Jij bent voor mij ook niet te plaatsen. Dat zijn toch uiteindelijk de mensen die het land drijvende moeten houden?"

Je had bij The Scene een visie over hoe het wel moest?
"Ja, dan ging ik met de bassist naar Paradiso om te laten zien hoe het moest en dan deed hij dat, maar dan speelde hij nog steeds Rod Stewart, alleen anderhalf keer zo snel. En zelf deed ik dat ook. Je hebt nu eenmaal van die maniertjes in de vingers gegroeid. Je kunt mij in die tijd een beetje zien als die Engelse gitarist waarmee het nu zo slecht schijnt te gaan: Chris Spedding. Het schijnt dat hij was ingehuurd om de gitaarstukken van The Sex Pistols op de plaat te doen. Een beetje anoniem en toch weet iedereen wie hij is."

Kan je je het eerste optreden van The Scene nog herinneren?
"Nee. Ik stond op het podium met een band waarvan ik wist dat binnen een maand iedereen er weer uit zou zijn. Dat was de sfeer van die tijd. Het interesseerde me geen lor. Die voortdurende ontslagen. Een kille atmosfeer. Die manier van werken is toentertijd door Herman Brood en Vitesse geïntroduceerd. Het maakt niet uit wie er in de band zit, als het circus maar draait. Toen we debuteerden, kregen we van de VARA meteen drie kwartier live-TV. Dus het begon wel aardig. We hadden ook een plaat zelf gefinancierd. Toen hadden we een reeks eigen beheersingles uit moeten brengen, dan was er misschien iets gebeurd. Maar er was nooit geld voor die singles. Iedereen wilde graag direct flappen ontvangen na een optreden. Maar omdat we geen platen meer maakten, liepen ook de optredens terug. Het ging echt puur dom."

Je bent begonnen als gitarist hé?
"Als kind begon ik als tekenaar. Zeker in Bergen werd gedacht dat ik voorbestemd was om kunstenaar te worden. Ik heb gelukkig net op tijd ontdekt dat ik misschien wel een tekentalent van één op honderdduizend heb, maar nooit een kunstenaar zou kunnen worden. Met de gitaar is het begonnen toen ik The Beatles hoorde over de radio. Gelijk verkocht. Ik heb niet het talent wat zangers moeten hebben. Ik ben altijd weer verbaasd als ik Barry Hay met een zonnebril op een TV-interview zie doen. Ik zal nooit een zonnebril opzetten om een kater te verbergen. Dat hoort bij de zanger, die moet zorgen dat hij er goed uitziet. Met The Scene zijn er ook veel experimenten geweest met zangers. Dat werkte alleen nooit omdat de zangers ook graag de baas wilden zijn en dat botste met mijn ambitie. Ik moet altijd botweg mijn zin doordrijven in een band. Anders wordt de lijn troebel."

Het grote succes kwam met de derde plaat, niet?
"Zo zie ik het niet. Ik zie 'Rij Rij Rij' als ons echte debuut. Een fan van ons heeft eens de eerste plaat en nog wat zeldzame opnames op twee CD's laten zetten. Ik heb hem vreselijk hartelijk bedankt en ik luister er nooit meer naar. Met 'Blauw' begon het te marcheren. Dat je zekerheid begint te voelen van: dit is goed."

Toen kon Nederlandstalige rock opeens weer.
"Ja, op de vleugels van de Tröckener Kecks en De Dijk kwamen wij mee. Met name Rick de Leeuw van de Tröckener Kecks was ook erg bezig met Nederlandse films. Naar 'De Vierde Man' moest ik kijken. 'Hoge Hakken Echte Liefde'. Dat deed ik. En toen zag ik dat dat best goed was.

Er was een nationale opleving bij jullie? Wij zijn Nederlands en daar zijn we trots op?
"In die club van de Kecks bijvoorbeeld was dat heel zwaar. Je hebt dat nu weer. Ik heb een plaat geproduceerd van Trio Bier. Die hoor je nu heel veel praten over de verdiensten van Jeroen Brouwers als schrijver."

Een beetje ironisch dan toch wel?
"Nee, met het mes op tafel. En van de accordeonist kreeg ik een bundel van Rutger Kopland als cadeautje. Die zijn continu met vaderlandse cultuur bezig. Voor mij beschamend want ik ben het eigenlijk nooit. Ik lees wel eens een gedicht of een roman, maar niet systematisch, zoals zij dat doen of zoals de Kecks dat deden. Ik ben geen chauvinist voor het Nederlands. Het gaat mij om het beste resultaat. De verstaanbaarheid is altijd een terugkerend probleem geweest. Zeker voor mensen als Frits Spits. Maar ik word dan altijd heel koppig. Ik heb vanaf mijn geboorte nu eenmaal een verkeerd gebit zodat ik binnensmonds praat. En zo zing ik dus ook. Bovendien ben ik niet extrovert dus dat draagt er ook nog aan bij. Mompelen is mijn ding. Ik heb er Frits Spits zelf nog wel eens mee om de oren geslagen dat Marlon Brando z'n leven lang mompelde. James Dean zelfde verhaal. Waarom moet ik dan plotseling articuleren?"

Ik vind het wel prettig als ik het niet zo kan volgen.
"Dan ben je een uitzondering. Je wilt lawaai horen en daarin de tekst. Dan zitten we op één lijn, maar dat is niet de algemeen geldende lijn. Verstaanbaarheid, verstaanbaarheid en nog eens verstaanbaarheid. Behalve als je in dialect zingt. Normaal, Rowwen Hèze. Dan is het plotseling geen probleem."

Wat vind jij nu in Nederland groepen die belangrijk zijn geweest?
"Ik ben onlangs met een vriend naar Frankrijk gereden en die zat in een clubje waar ze een Nederpopquiz deden. Dat ging tot aan de meest obscure opnames. Duwde hij een cassette erin, raad eens wat dat is. Een groep die me echt verbaasde, zonder enig voorbehoud mooi, waren de Ro-d-ys, uit Groningen."

Nooit van gehoord.
"Zestiger jaren groep. Geweldig. Een band die in die tijd erg geroemd werd. Q65 vond ik bij herluistering helemaal niks. De Golden Earring daarentegen, dat zat er altijd al in. En mijn favoriet van toen bleef volkomen overeind staan: Cuby & The Blizzards."

Waar luister je thuis naar?
"Nergens naar. Alleen klassiek. Nou, twee platen die ik wel draai zijn de laatste van PJ Harvey en The Smashing Pumpkins. Ik kan niet meer onbevangen luisteren. Platen van ons draai ik ook nooit. Ik heb een keer het verhaal gehoord van een zanger die daarop kickte. Die midden op de dansvloer z'n eigen hit ging dansen."

Wie was dat?
"Van The Soul Sisters, Paul de Ville. Op een lege dansvloer. Dat vind ik echt onvoorstelbaar. Op feestjes wil ik nog wel eens voor DJ spelen. Als je bij een stel komt, man en vrouw, is meestal de platencollectie gescheiden. Ik put dan alleen maar uit de collectie van de vrouw. De dansmuziek en de domme hits. Waar wij muzikanten op neerkijken, maar op zo'n avond is 't de beste muziek."

De housebeweging kwam tegelijk met The Scene op.
"Rockmuziek streeft altijd naar meer en meer power. Meer power dan die computersamples is er niet. Geen drummer kan daar tegenop. Rappen is het eindstation van zingen. Dat klinkt heavier dan de zanger van AC/DC. Dat bedoel ik niet negatief of positief. Al doet rapmuziek mij weinig of niets."

'Otto's Imperium' is eigenlijk een rap.
"Als je het zo wilt zien. Het is gesproken. Ik noem het zelf eerder een beetje ouderwets: parlando. Ik heb niet het gevoel dat de rock door de house opzij geschoven is. U2 en Sting, daar vul je een stadion mee, maar met houseacts doe je dat niet. Al denk ik wel dat als ik nu met The Scene in de situatie van tien jaar geleden had gezeten, dat er een probleem was. We hebben wel eens meegemaakt dat we in zo'n heel groot jongerencentrum speelden en dat er in de bovenzaal zo'n sex-house-strip-act was. Wij hadden beneden de kleedkamer en boven het podium en die meisjes hadden boven de kleedkamer en beneden het podium. Dat kruiste elkaar de hele tijd. Liepen zij daar half naakt in wat leren riempjes en met een plastic zak gevuld met een dildo en een slagroomspuit. Erg grappig natuurlijk."

Wat voor publiek trekt The Scene?
"In de leeftijd van twintig tot vijftig. Vrij casual. Het is niet één groep. We hebben niet een Keckspubliek en niet een Dijkpubliek, maar wat het wel is weet ik niet. Onze merchandise-man, dat is een neefje van de drummer van De Dijk, klaagt altijd dat er bij De Dijk veel meer mooie meiden komen. Wat hij daar precies mee bedoelt weet ik niet, maar ik vermoed in een leeftijdsgroep van 25. Bij ons komen eerder vrouwen die de dertig zijn gepasseerd. Wat ik persoonlijk mooier vind. Maar er staan bij ons soms ook punky types vooraan. Maar ja, je zei al dat ik niet te vangen was, dus mijn publiek dan ook niet. Het lied 'Iedereen Is Van De Wereld', dat is nu het lijflied van de antiracistische beweging geworden, maar ik heb het geschreven toen ik een avondje bij de Tröckener Kecks was en die vraag aan mezelf stelde: wat voor publiek is dit? En me toen realiseerde dat dit allemaal mensen waren die bij geen enkele club konden horen. En die ook niets met elkaar te maken hebben. Vandaar ook die zin: dit is voor de misfits die je her en der alleen ziet staan. Wij heffen allemaal onze aanstekers voor 2 Unlimited, zoiets was er totaal niet aan de hand."

Hoe lang denk je nog door te gaan?
"Zolang God het geeft. Ik voel wel rare verschuivingen binnen mezelf. Als ik het gevoel krijg dat ik binnen een geplande agenda mijn rijtje moet doen, wil ik daar meer en meer tegenin gaan. Als er twintig interviews gepland staan en er zit er eentje bij die me niet leuk lijkt en ik moet dat doen omdat dat professioneel zou zijn, doe ik het liever niet, eigenlijk. Mijn idee van optredens begint ook te veranderen. Dat was vroeger een ding dat je deed, ongeacht waar je terechtkomt. Ik begin nu toch wel meer te denken: ik wil eigenlijk alleen maar optredens doen waar voor iedereen die aanwezig is, van publiek tot aan de crew, wat te halen is. Ik begin steeds minder professioneel te worden wat dat betreft." «


[Media]